| ![]() |
| 1 | Degene die krachtens de artt. 35 en 36 aanspraak maakt op een som ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens vervalt, indien de rechthebbende niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn, en uiterlijk negen maanden na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen. |
| 2 | De vordering is niet opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater. |
| 3 | De rechtsvordering verjaart door verloop van een jaar na het overlijden van de erflater. Indien die erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor degene die krachtens art. 36 aanspraak op een som ineens heeft gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar na het overlijden van die echtgenoot. |
| 4 | De sommen ineens bedragen gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde van de nalatenschap; voor zoveel nodig ondergaan zij elk een evenredige vermindering. Onder de waarde van de nalatenschap wordt in dit artikel verstaan de waarde van de goederen van de nalatenschap, verminderd met de in artikel 7 lid 1 onder a tot en met e vermelde schulden. |
| 5 | De voldoening van de sommen ineens komt ten laste van het gedeelte van de nalatenschap waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens, zo dit onvoldoende is, van de makingen; art. 87 lid 2, 2e zin, is op een inkorting van overeenkomstige toepassing. |
Laatst gewijzigd: 16-Jul-10 07:55

